Begrippen F - J
Faktor A
De factor A is de aanduiding voor de pensioenaangroei in een bepaald kalenderjaar. Deze factor A heeft de deelnemer nodig om uit te rekenen hoeveel lijfrentepremie hij/zij maximaal van de inkomstenbelasting kan aftrekken. In het pensioenoverzicht van de deelnemer vermelden we de persoonlijke factor A of pensioenaangroei.
Fiscale ruimte
De fiscale ruimte is de ruimte die de deelnemer van de Belastingdienst mag besteden aan aanvullende pensioenmogelijkheden. In het pensioenoverzicht van de deelnemer vermelden wij de hoogte van de fiscale ruimte.
Individueel anw-hiaatpensioen
Individueel Anw-hiaatpensioen is een vrijwillige verzekering waarmee de deelnemer - geboren voor 1 januari 1950 - het pensioen voor de partner tot 65 jaar verhoogt. De verzekering van het individueel Anw-hiaatpensioen is vooral interessant als de partner niet, slechts tijdelijk of een lagere Anw-uitkering ontvangt. Uiteraard kan de werknemer ook individueel Anw-hiaatpensioen verzekeren als de partner wel in aanmerking komt voor een Anw-uitkering.
Franchise
De franchise is het gedeelte van het pensioengevend salaris waarover de deelnemer geen ouderdomspensioen opbouwt. Het franchisebedrag is gebaseerd op de AOW. Dit bedrag brengen wij in mindering op het pensioengevend salaris, omdat de deelnemer vanaf 65-jarige leeftijd een AOW-uitkering ontvangt. Daarom is het niet nodig om over het gehele pensioengevend salaris ouderdomspensioen op te bouwen.
FVP
De stichting Financiering Voortzetting Pensioenverzekering (FVP) kent ons een financiële bijdrage toe in de pensioenpremie voor werklozen van 40 jaar of ouder. Hierdoor kunnen wij de pensioenopbouw van deze werklozen voorlopig voortzetten. Een eventueel recht op een FVP-bijdrage bestaat gedurende de periode waarin een werkloze recht heeft op een loongerelateerde werkloosheidsuitkering. Meer informatie over de FVP-bijdrage vindt u op de website van de Sociale Verzekeringsbank.
Hoog - laag pensioen
Hoog - laag pensioen is een vorm van pensionering waarbij u in de eerste jaren een hoger ouderdomspensioen ontvangt dan in de jaren daarna. U kunt bij pensionering kiezen uit de volgende mogelijkheden:
• Hoger ouderdomspensioen tot 65 jaar en daarna een lager ouderdomspensioen.
• Hoger ouderdomspensioen tot 70 jaar en daarna een lager ouderdomspensioen.
• Hoger ouderdomspensioen tot 75 jaar en daarna een lager ouderdomspensioen.
De verhouding tussen het hoge en het lage pensioen moet altijd 100:75 zijn. Bij een keuze voor hoog - laag pensioen, moet u zich bewust zijn van de inkomensgevolgen. Na de ‘vette' jaren volgen de ‘magere' jaren waarin uw ouderdomspensioen 25% lager is dan daarvoor. Bovendien kan uw keuze de hoogte van het verzekerde partnerpensioen beïnvloeden.

